377 | Twee zeer inspirerende dagen beleefden de deelnemers van het 2-daagse congres op 18 en 19 december in de Jaarbeurs Utrecht. Er waren ook stellingen die voor op lange termijn verder bedacht en uitgewerkt zouden moeten worden.

Op de eerste dag stond de vraag naar de HBO-masters in Nederland centraal. Accreditatie van een HBO-master is niet even makkelijk, internationale joint masters sowieso niet, en de typering van een »HBO-master« heeft dan ook nogal wat vragen opgeroepen.
Want de Dublin descriptors, die na invoering van de Bachelor-Master-structuur in heel Europa inmiddels gebruikelijk zijn voor het typiseren van de opleidingen in het Hoger Onderwijs, zij kennen geen onderscheid tussen »HBO« en »WO«, tussen beroepsgerichte hogeschool en onderzoeksgerichte universiteit dus.
Institutionele onderscheiding slechts landelijk
Inderdaad is dit onderscheid – gehandhaaft en aan te geven bij een accreditatie door de NVAO – mijn inziens onjuist, want vele universitaire opleidingen mogen en moeten zelfs helemaal beroepsgericht en toegepast aan de slag gaan – en omgekeerd doet een hogere beroepsopleiding aan een hogeschool zonder een orientatie aan wetenschappelijke modellen en theorieën en zonder opleidingsdoelen naar abstractievermogen tekort aan een plaatsing binnen het internationale besef van »Universities«.

Er waren ook sprekers van universiteiten op de agenda. Op de tweede dag hoorden wij van prof. dr. van Aken, hoogleraar organisatiekunde aan de TU Eindhoven, dat er geen verschil zou bestaan tussen onderzoeksmethoden aan universiteiten en hogescholen.
Onderzoek gebruikt de zelfde methodieken
Sommige lectoren reageerden verbaasd erover – wat mij wederom verbaasd want uiteraard bestaan er geen »bijzondere« methoden aan hogescholen. De aard van omgaan met de methoden zal nogal best kunnen verschillen, maar er zijn zeker geen HBO-specifieke methodes en men moet er ook niet naar streven om ze te verzinnen.
Het wereldbeeld van de collega professor ingenieur, waarna er onderscheiden zou moeten worden tussen »verklarende wetenschappen« en »ontwerpwetenschappen«, was nogal bijzonder. De eersten zouden volgens hem de wereld an sich moeten en kunnen beschrijven… Nou, dat is in het tijdperk van het constructivisme (die altijd de waarnemer van realiteit als constructeur van een werkelijksheidsbesef meeneemt omdat hij zijn beperkte en gerichte visie heeft) zeker een leuke idee van toen.

Een heel interessante opzet presenteerde Cor Nieuwenhuijse, die een stel studenten meenam op het podium en bij wijze van spreken interdisciplinair studeren in projecten tussen WO, HBO en MBO schetsde.
Studenten uit verschillende systemen werken samen
Zijn onderwijselementen zijn helemaal uitgaande van vraagstukken uit het werkveld en op die manier kunnen – net als in een bedrijf ook – »specialisten« (studenten) uit verschillende onderwijssystemen met elkaar werken.
Zijn model is wel eens de moeite waard om ook voor onze hogeschool in Leeuwarden mogelijkheden van diens aard te overwegen.
Aan de andere kant zou ik wel niet de hele bachelorstudies op die manier gestalte willen geven, namelijk dat het concrete werkveld waar studenten mee kunnen draaien de inhouden en de gang van zaken bepaald. Dat zou aan een konsekwente opleiding naar meer abstraktievermogen en het toepassen en toetsen van »theoretische« modellen op de praktijk vrijwel niet meer voldoen.

Als vertegenwoordiger van de werkgevers waardeerde Rudi Nieuwenhoven, directeur Sociale Zaken bij de VNO-NCW, de rol van de hogescholen en lectoren.
»HBO doet zijn best voor het werkveld«
Hij bleek een voorstander van het HBO-systeem te zijn en onderstreep met wat praktische verwijzen hoe werkveldgericht er onderzoek gedaan word en dus de kennisproduktie, volgens hem anders dan bij Universiteiten, rechtstreeks in de economie terecht komt.

Dit riep nogal scherpe kritiek op van prof. dr. van Hout van de Universiteit van Amsterdam (rechts in het beeld) – niet vanwegen het lof van de vertegenwoordiger van de werkgevers voor het HBO, maar omdat zijns inziens het binaire stelsel in Nederland van HBO en WO gauw overwonnen zou moeten worden.
In de pauzen had ik gelegenheid om met lectoren en ook met hem eens goed te discusseren.
»Het binaire stelsel moet weg«
»Er is toch feitelijk geen onderscheid in onderzoek, en die instutionele onderscheidingen zijn juist door de lectoraten achterhaald,«, aldus de hooggeleerde collega van Hout.
Hij bleek een enorme waardering voor het HBO te hebben, maar in de zin van naast elkaar te staan, niet boven en onder elkaar. »Dit onderscheid moet verdwijnen in ons land, dat is elders al lang gebeurd.«
Lectoren en promotie-trajecten
Even wat voorzichtiger wil hij de hogescholen en de lectoren betreffend hun inzet voor promovendi aan de slag zien.
Zij moeten zeker niet eisen dat lectoren hoe-dan-ook als co-promotor mee mogen en dan ook nog geld willen vragen van de universiteiten. »Als promotor ben ik enkele jaren met een promovendus bezig en het zijn onnoemlijk veel uren, dus de publieke gelden daarvoor dekken nauwelijks wat wij als professoren per promovendus investeren«, aldus prof. van Hout (»Ik ben trouwens gepromoveerd op het promoveren.«).
Hij pleitte ook voor het vasthouden aan de academische vrijheid. Lectoren hebben docenten aan hun hogescholen in hun kenniskring, daarin gaan zij een bepaalde weg, en daarin zijn de lectoren de baas – in zo’n situatie moet men een onderzoekstraject naar een doctorate zeker niet ook nog aan het zelfde bestek plakken.
»Begin maar met masteropleidingen«
En verder stelt hij dat de hogescholen zich eerst even zouden moeten richten op het academiseren van hun docenten die nog niet op master-niveau zijn – en niet deze stap moeten overslaan door zich vooral op eigen promovendi te richten, zoals met name Fontys en Inholland dit doen. »Leg maar eerst eens de basis!«, riep hij de lectoren en managers van de hogescholen toe.
Gewoon geïmplementeerd
De aanwezige lectoren bleken nogal goed binnen hun hogescholen hun plaats gezocht en gevonden te hebben. Vele van hun sturen bachelor-opleidingen aan en alle zeiden dat zij uiteraard ook in het reguliere onderwijs lessen geven – zeker op hun eigen manier en vanuit hun eigen professies.
Sommige lectoraten werken separaat, maar in ieder geval met een gewaarborgde kennisoverdracht naar de studenten toe; andere volgen het idee van een »New Faculty« waarin zich opleidingen, lectoraten en leerbedrijven verzamelen.
Deze 2-daagse heeft heel wat interessante onderwerpen opgeroepen en ook in nieuwe perspektieven geplaatst. Wij zullen er iets van maken!
This entry was posted on Freitag, Dezember 21st, 2007 at 00:01 and is filed under Hochschulen, Niederlande, Professoren, Promovieren, Studienprojekte, Masterstudium, Konstruktivismus. You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.
